pedagoog

Buitenlandse pedagogen

Enkele bekende buitenlandse pedagogen zijn :

Rudolf Joseph Lorenz Steiner

Rudolf Joseph Lorenz Steiner (Donji Kraljevec, 25 februari 1861 – Dornach, 30 maart 1925) was een Oostenrijkse esotericus, schrijver, architect, filosoof en had een geheel eigen zienswijze op pedagogie. Hij is bekend geworden als grondlegger van de antroposofie en haar praktische toepassingen, zoals het vrijeschoolonderwijs, de antroposofische geneeswijze, de heilpedagogie, de sociale driegeleding en de biologisch-dynamische landbouw.

Waldorfpedagogie

In 1919 kreeg Steiner in Stuttgart de leiding over de Freie Waldorfschule, opgezet door de fabrikant Emil Molte, eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria, om de arbeiders en de directeuren nader tot elkaar te brengen. Steiner ontwikkelde een pedagogie die ten grondslag kwam te liggen aan de wereldwijde Vrijeschool-beweging met scholen voor basis- en middelbaar onderwijs in vele landen. Het woord ‘vrij’ in deze benaming was bedoeld om aan te geven dat de overheid geen zeggenschap dient te hebben over de vorm van onderwijs. De geest moet vrij van welke overheidsdwang dan ook, tot ontwikkeling kunnen komen.

Deze gedachte stamt uit de zogeheten Dreigliederung, de Driegeleding (Een Vrije Geest, Een Rechtssysteem op basis van Gelijkheid, en een sociale ordening gebaseerd op Broederschap). Kern van de pedagogische inzichten van Rudolf Steiner is zijn opvatting van de ontwikkelingspsychologie van het kind. De lesstof is in overeenstemming met de fase waarin het kind verkeert en sluit aan op de behoefte van het kind.

Kunst is volgens Steiner een natuurlijke behoefte van ieder kind en het vrijeschoolonderwijs kenmerkt zich onder andere door de prominente rol die de kunst erin heeft. Doel van het onderwijs is enerzijds dat het opgroeiende kind zich ontwikkelt tot een sociaal vaardige, zelfstandige volwassene, in staat om de voor hem of haar specifieke invulling van het (beroeps)leven te volbrengen, anderzijds dat het kind zijn of haar geestelijke vermogens, zijn of haar “zielenleven”, tot volle ontwikkeling kan laten komen. Volgens de principes van de Vrijeschool legt iedere leerling een volledige leerweg af van het zesde tot en met het achttiende levensjaar.

Heilpedagogie

In 1924 hield Steiner een reeks voordrachten voor een kleine groep van pedagogen en artsen over – zoals dat thans heet – mensen met een verstandelijke handicap. Deze voordrachten hebben lange tijd de “heilpedagogische cursus” geheten, en zijn in Nederland opnieuw uitgegeven onder de titel “Genezend opvoeden”.Uitgangspunt is dat ieder mens zich kan en moet ontwikkelen. Hij heeft een “karwei”meegekregen. Zij die helpen bij dit karwei, profiteren daarvan ook in hun eigen ontwikkeling.

Bekende buitenlandse pedagogen

Nederlandse pedagogen

Enkele bekende Nederlandse pedagogen zijn :

 

O.a. de volgende universiteiten bieden een universitaire studie in de pedagogische wetenschappen aan:

  • Erasmus Universiteit Rotterdam
  • Universiteit van Amsterdam
  • Vrije Universiteit van Amsterdam
  • Rijksuniversiteit Groningen
  • Universiteit Leiden
  • Radboud Universiteit Nijmegen
  • Universiteit Utrecht

Marinus (Rien) H. van IJzendoorn

Prof. dr. Marinus (Rien) H. van IJzendoorn (Tiel, 14 mei 1952) is hoogleraar gezinspedagogiek aan de Universiteit Leiden. Hij onderzoekt daar gehechtheid en emotieregulatie van de wieg tot het graf, in intergenerationeel perspectief. In 2004 ontving hij voor zijn werk de Spinozapremie. Van IJzendoorns specialisme is hechting. Volgens deze theorie zijn kinderen evolutionair ‘geprogrammeerd’ om zich te hechten aan een opvoeder. De theorie is ontwikkeld door onder andere John Bowlby en Mary Ainsworth. Kinderen die veilig zijn gehecht aan hun opvoeders hebben de beste ontwikkelingskansen. Met meta-analyses van onder andere onderzoek naar geadopteerden combineerde Van IJzendoorn de resultaten van vele studies statistisch verantwoord met elkaar. Op basis van deze analyses noemde hij adoptie een ‘heel succesvolle interventie’. Ook deed hij veel onderzoek naar opvoeding van autistische kinderen en naar opvoeding door overlevers van de Holocaust. Het NCKO is opgericht als een samenwerkingsverband tussen drie hoogleraren, verbonden aan drie Nederlandse universiteiten:   Bron : Wikipedia

Louis Tavecchio

De heer prof. dr. L.W.C. (Louis Willem Cornelis) Tavecchio (geboren 10 maart 1946) was van 1989-1995 voorzitter van de werkgemeenschap Empirisch Gezins-pedagogisch Onderzoek van NWO/PEDON. In 2001 keerde hij terug bij de UvA (afdeling Pedagogiek & Onderwijskunde) als bijzonder hoogleraar pedagogische aspecten en kwaliteit van kinderopvang met de oratie Van opvang naar opvoeding. Tot zijn pensioen was hij coördinator en samen met collega-hoogleraar Marianne Riksen-Walraven (Radboud Universiteit Nijmegen) projectleider van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO). Van februari 2007 tot september 2013 vervulde hij tevens de functie van Lector Vraaggerichte Methodiekontwikkeling en Onderzoek bij het Kenniscentrum van het domein Maatschappij en Recht van de Hogeschool van Amsterdam.

Hij houdt zich daarnaast specifiek bezig met de ontwikkeling van jongens en de betekenis van vaderschap. Hij heeft regelmatig de aandacht gevraagd voor het gebrek aan mannelijke opvoeders in kinderopvang en primair onderwijs. Van 2006 tot 2012 was hij hoofdredacteur van het tijdschrift Pedagogiek en tot 2013 lid van de redactie van Kind & Adolescent Review. Bron : Wikipedia

Ruben Fukkink

De heer prof. dr R.G. Fukkink (1969) is in 2012 benoemd tot bijzonder hoogleraar Kinderopvang en educatieve voorzieningen voor het jonge kind aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. De leerstoel is ingesteld vanwege de Stichting Ondersteuning leerstoel kinderopvang en educatieve voorzieningen voor het jonge kind.

Dhr. Fukkink is sinds 2009 universitair docent Pedagogiek en Onderwijswetenschappen aan de UvA. Voor die tijd was hij senior onderzoeker aan het SCO-Kohnstamm Instituut. Hij is sinds 2011 projectleider van het Nederlands Consortium Kinderopvangonderzoek (NCKO).

Prof. dr. J.M.A. Riksen-Walraven

Al tijdens haar psychologiestudie (1967-1973) aan de Nijmeegse universiteit raakte prof. dr. J.M.A. (Marianne) Riksen-Walraven (geb. 1-3-1949) gefascineerd door de invloed van vroege sociale ervaringen op de ontwikkeling van kinderen en dat thema is sindsdien altijd het voornaamste onderwerp van haar onderzoek gebleven. Haar promotieonderzoek (1974-1977), een experimentele interventiestudie bij 100 ouder-kind paren, toonde het grote belang aan van de responsiviteit van ouders tijdens de dagelijkse interacties met hun kind in het eerste levensjaar. Verhoging van de responsiviteit van ouders bleek een positief effect te hebben op de exploratiedrang van de kinderen en hun vermogen om het verband te ontdekken tussen hun eigen gedrag en de gevolgen daarvan. Longitudinale follow-up van deze groep in de jaren daarna liet zien dat de responsiviteit van ouders in het eerste levensjaar van hun kind langdurige effecten heeft op de ego-veerkracht van het kind, d.w.z. het vermogen om gedrag en emoties te reguleren en zich flexibel aan te passen aan veranderende en vooral stressvolle omstandigheden. In latere jaren begeleidde zij onderzoek naar de vroege opvoeder-kind interactie in verschillende culturen (o.a. in Japanse, Indonesische en Surinaams-Nederlandse gezinnen) en in groepen met een verhoogd risico op problemen in de opvoeder-kind interactie, zoals doofblinde kinderen en baby’s van moeders met een postpartum-depressie.

Leerstoel

Van 1998 tot 2001 was Marianne Riksen-Walraven hoogleraar op de leerstoel “Theorievorming en empirisch onderzoek op het gebied van de kinderopvang” aan de Universiteit van Amsterdam, en in 2000 werd zij aan de Radboud Universiteit Nijmegen benoemd tot hoogleraar op de persoonlijke leerstoel “Ontwikkelingspsychologie, in het bijzonder de vroegkinderlijke ontwikkeling”. Marianne Riksen-Walraven heeft samen met prof. dr. L.W.C. Tavecchio (Universiteit van Amsterdam) en prof. dr. M.H. Van IJzendoorn (Universiteit Leiden) het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) opgericht als een samenwerkingsverband tussen de drie hoogleraren, verbonden aan drie Nederlandse universiteiten.

Basisdoelen

In de wet staan vier pedagogische basisdoelen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het kind, beschreven door Marianne Riksen-Walraven:
  1. Het bieden van een gevoel van emotionele veiligheid
  2. Gelegenheid bieden tot het ontwikkelen van persoonlijke competenties
  3. Gelegenheid bieden tot het ontwikkelen van de sociale competenties
  4. Kinderen gelegenheid bieden om zich normen en waarden, de cultuur van een samenleving eigen te maken

Emmi Pikler

Emmi Pikler (1902-1984) was een Oostenrijkse kinderarts en pedagoog. Ze hielp ouders te vertrouwen op de aangeboren competenties van hun kinderen en het eigen ritme te respecteren. Haar kernthema’s waren : bewegen – spelen – verzorgen. De Emmi Pikler Stichting brengt het unieke gedachtegoed van Emmi Pikler onder de aandacht van ouders en professionals.
Bekende buitenlandse pedagogen

Lev Vygotski

Lev Vygotski (1896 -1934) was een Russische psycholoog en filosoof. Zijn werk werd in de Sovjet-Unie niet gepubliceerd en was daarom pas in 1958 in het Westen bekend. Vernieuwend was zijn visie op de ontwikkeling en het opgroeien van kinderen. Hij noemde het kind een afhankelijk individu dat niet geïsoleerd kan leven. Het kind leert van zijn sociale omgeving.  
Bekende buitenlandse pedagogen

Loris Malaguzzi

Loris Malaguzzi  (1920-1994) Was pedagoog en oprichter van kindercentra in de Noord-Italiaanse stad Reggio Emilia. ‘Een kind heeft honderd talen, van die honderd talen worden hem er negenennegentig door de maatschappij ontnomen’. Deze zin uit een gedicht van Malaguzzi vat het concept van Reggio Emilia goed samen. In 1945 stichtte Malaguzzi een kindercentrum waar de basis werd gelegd voor zijn ideeën.

Achtergrond

Loris Malaguzzi wordt geboren in Corregio, een klein dorpje in de Noord-Italiaanse provincie Reggio Emilia (waarnaar zijn pedagogiek later vernoemd wordt). Hij groeit op tijdens het fascistisch regime. Aangemoedigd door zijn vader begint hij in 1939 aan een opleiding als onderwijzer. Nog voor het einde van de tweede wereldoorlog haalt hij zijn diploma Pedagogiek aan de Universiteit van Urbino. In de periode vlak na de oorlog willen mensen het verleden achter zich laten en aan een betere toekomst bouwen. In Villa Cella (in Reggio Emilia) verkopen bewoners een tank, twee militaire vrachtwagen en negen paarden om een schooltje op te richten. De groep – waaronder vaders, moeders en kinderen – verzamelt stenen, zand en hout en start de bouwwerken. Malaguzzi fietst erheen, vraagt naar hun bedoeling en is zo onder de indruk dat hij blijft. Ondertussen volgt hij in het Nationaal Onderzoekscentrum in Rome een cursus posttraumatische psychologie. Hij haalt er in 1946 zijn diploma; nu kan hij als onderwijzer én psycholoog in het schooltje meewerken. Hij neemt deel aan ouderdebatten waarop ze bespreken hoe kinderen zich via educatie ten volle kunnen ontplooien. Samen zoeken ze naar de communicatieve, affectieve en maatschappelijke mogelijkheden van kinderen, met respect voor wetenschappelijk en kritisch denken. Malaguzzi organiseert pedagogische activiteiten en helpt de kinderen de oorlog verwerken. Niet zozeer door apart met hen te praten, maar door samen te doen en dingen te laten maken. Want alleen zo kunnen kinderen zich volgens Malaguzzi ten volle uiten. Het blijft niet bij dat ene schooltje. Andere oudergroepen richten op eigen initiatief en uit eigen middelen verschillende scholen en kinderopvang op. Malaguzzi begeleidt ze. In 1980 brengt hij deze initiatieven onder in zijn netwerk “Gruppo Nazionale Nidi-Infanzia”. In 1994 overlijdt hij thuis onverwacht aan een hartaanval.

Theorie en ideeën

De verschillende pedagogische handvatten van Malaguzzi vertrekken vanuit één kerngedachte: kinderen zijn krachtige wezens. Malaguzzi focust niet op wat jonge kinderen “nog niet” kunnen: ze kunnen nog niet lezen, niet schrijven, niet fietsen. Hij kijkt naar wat ze allemaal wél kunnen. Want kinderen kunnen ontzettend veel. Ze zijn geboren onderzoekers, nieuwsgierig en leergierig. Ze willen de wereld rondom ontdekken en begrijpen en hun eigen kennis opbouwen. Ze zijn communicatief en sociaal ingesteld en willen zich uitdrukken. Voor Malaguzzi is het belangrijk om die kracht van kinderen niet te onderdrukken. ‘Een kind heeft honderd talen’, zegt hij, ‘en grote mensen stelen er negenennegentig van.’ Malaguzzi beklemtoont daarom dat volwassenen eerst en vooral naar kinderen moeten kijken en luisteren. Dan zie je hoe ze zich niet alleen uitdrukken via woorden, maar ook door te zingen, ergens heen te kruipen, te tekenen, te kleien, te spelen. Kinderen gebruiken die honderd talen ook om de wereld te onderzoeken. Denken en leren gebeurt bij hen vooral door te doen. Daarom is het belangrijk dat kinderen interessante materialen aangereikt krijgen waarmee ze zelf kunnen experimenteren. ‘In handen van kinderen onthult de werkelijkheid zijn oneindige mogelijkheden tot transformatie’, aldus Malaguzzi. ‘Op vlak van creativiteit is het onze taak om kinderen hun eigen bergen te helpen beklimmen. Zo hoog mogelijk.’

Realisaties

Samen met vaders en moeders realiseert Malaguzzi in Noord-Italië in totaal drieëndertig kinderopvangcentra en kleuterscholen. Nog tijdens zijn leven krijgt Malaguzzi als grondlegger van een nieuwe pedagogiek ook de nodige erkenning. Het Italiaanse ministerie van Onderwijs consulteert hem, de kindercentra van Reggio Emilia worden in 1991 uitgeroepen tot “de beste ter wereld”, Malaguzzi zelf ontvangt in 1991 de Ygdrasil-Lego prijs en in 1992 in Chicago ook de Kohl Award. Malaguzzi’s ideeën komen voort uit dertig jaar ervaring met jonge kinderen. Omdat hij vindt dat je pas echt ideeën kunt overbrengen door samen te praten, zet hij niets op papier. Gelukkig zijn er verschillende interviews met hem. Zijn pedagogiek is vandaag wereldwijd verspreid. Er zijn boeken, handleidingen en andere materialen over de kindercentra van Reggio Emilia – die overigens nog altijd actief zijn. Begeleiders en creatief pedagogen observeren en documenteren er wat de kinderen ondernemen, wat hen fascineert en bezighoudt. Ze noteren, fotograferen, filmen en maken geluidsopnames van de interacties en het spel van kinderen in groep en individueel. Dat materiaal gebruiken de begeleiders om in het wekelijks teamoverleg te komen tot activiteiten die inspelen op de interesses van de kinderen.
Bekende buitenlandse pedagogen